Uitgebreid rapport over de behoeften van transgender en non-binaire kinderen en jongeren

Rainbow Health Ontario heeft met steun van de provincie Ontario een uitgebreid rapport gepresenteerd over de begeleiding en het sociaal klimaat die transgender kinderen en jongeren en hun ouders en verzorgers nodig hebben. De schrijvers van het rapport hebben zich vanaf het begin laten bijstaan door een adviesraad, die bestond uit: ouders van transgender kinderen en jongeren, transgender jongeren en behandelaars van transgender kinderen en jongeren. 

Het rapport handelt over de plek van transgender en non-binaire kinderen en jongeren in de samenleving en hun kwetsbaarheid daarbij. Daarbij wordt uitgebreid op een veelheid van onderwerpen ingegaan, zoals:

  • Genderbevestiging en ondersteuning door ouders, hulpverlening en samenleving als belangrijkste beschermende factor voor deze kinderen.
  • Aandacht voor de invloed van de verschillende culturele achtergronden van deze kinderen (First nation (Indiaanse), Afrikaans, Latijs-Amerikaanse, nieuwkomers, stad en platteland, etc. achtergrond).
  • Aandacht voor het belang van het depathologiseren van genderdiversiteit, het is geen stoornis maar een variant.
  • Aandacht voor het feit dat: non-binaire kinderen nog onvoldoende in beeld zijn bv. bij de hulpverleners en nog weinig aandacht is voor transgender kinderen met een handycap.
  • Er wordt ingegaan op de handelingsverlegenheid van de behandelaars en hulpverleners.
  • Risicofactoren zoals dakloosheid, sekswerk en geweld komen aan de orde.
  • Het belang van het contact met andere transgender en/of non-binaire kinderen of jongeren.

Het rapport komt met een veelheid van aanbevelingen (pagina V, VI en VII en vanaf pagina 64). 

Hoewel dit rapport geschreven is over de situatie in Ontario, is het zo uitgebreid en genuanceerd, dat het zeker ook bruikbaar is in de Nederlandse situatie. Er zijn veel overeenkomsten tussen Ontario en Nederland, qua samenstelling van de bevolking en hoeveelheid inwoners. In het rapport wordt ervan uitgegaan dat 0,7 – 3,2% van de kinderen en jongeren zich niet thuis voelt in de tweedeling man/vrouw. Deze cijfers komen overeen met andere uitgevoerde wereldwijde onderzoeken. In de Nederlandse situatie zou dat betekenen dat we het hebben over een groep van ca. 24.000 – 108.000 kinderen en jongeren tot 18 jaar. Dat is een grote groep kinderen en jongeren waarvan slechts een relatief klein deel in beeld is bij behandelaars of hulpverleners. Dat is de groep die medische zorg nodig heeft. Ondersteuning van kinderen en jongeren en hun ouders wordt op dit moment nog voor een belangrijk deel uitgevoerd door vrijwilligers. Dat is op termijn niet haalbaar in verband met de grootte van de groep. Er is in Nederland geen inventarisatie of onderzoek waarbij in beeld wordt gebracht wat gender-onderzoekende kinderen nodig hebben, wanneer zorg nodig is, welke knelpunten er zijn, wat leerkrachten nodig hebben, etc. Dit rapport uit Ontario kan een voorbeeld zijn voor een dergelijke inventarisatie. 

Ben je nieuwsgierig geworden? Lees het volledige ‘Trans and non-binary children and youth: A roadmap for improving services in Ontario‘. Op deze pagina is het rapport te vinden in het Engels en in het Frans.

 

READ MORE


Problemen met levering hormoon pleisters voor transgender vrouwen

Er zijn momenteel problemen met de levering van Systen pleisters voor transgender vrouwen (Systen pleisters zijn een zgn. Merkmedicijn). De inschatting is dat deze problemen pas in juni zijn opgelost. Zie de informatie hierover op de website voor medicijntekorten van De Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie, de KNMP, https://farmanco.knmp.nl/geneesmiddel/2270-Estradiol.html .  Een apotheker wist te vertellen dat het patent op deze pleisters is inmiddels verlopen zou zijn. Leveringsproblemen zijn dan vaak een opmaat naar het uit de handel nemen van een merkmedicijn.

Wij raden aan om, als je deze pleisters gebruikt, bijtijds contact op te nemen met je apotheek om te vragen of er nog voorraad is.  Is er geen voorraad meer dan kan deze kan je informatie geven over alternatieven/substitutie en hoe te handelen om dit voorgeschreven te krijgen.
Als generiek middel (“op de stofnaam”, zoals dat in apothekersland heet) zijn de hormoonpleisters zonder problemen te krijgen en de substitutie van een generiek middel voor een merkmedicijn is iets dat een apotheker op eigen gezag mag doen, dus zonder tussenkomst van de behandelende arts.

Je kunt ook contact opnemen met je voorschrijvende arts en vragen een generiek middel voor te schrijven.

Samenvattend:
– Als je bij de apotheek bent, vraag om substitutie.
– Als je bij je endocrinoloog bent, vraag om het generieke middel voor te schrijven.

 

READ MORE


Verslag van het overleg over de transgenderzorg, bijeenkomst bij VWS op 27 november 2019

Verslag van het overleg transgender zorg, opgesteld door Frederique Retsema (Disclaimer: ik heb dit verslag redelijk uit het hoofd gedaan, dit verslag is een verslag op hoofdlijnen).

Twee keer per jaar wordt door het ministerie van volksgezondheid VWS) een middag georganiseerd over de transgenderzorg. Bij dit overleg zitten mensen van de Kwartiermaker, vertegenwoordigers van het ministerie, verzekeraars en ook van de zorgaanbieders zelf. Lisa van Ginneken (Transvisie) was mede presentator en er waren ook andere mensen van Transvisie, TNN en T-Nederland aanwezig. In totaal waren er zo’n 100 mensen.

Lisa heeft me een paar weken geleden gevraagd om een presentatie te maken voor dit overleg over de toekomst van de transgenderzorg, vanuit activistisch perspectief. Ik zal later in dit verslag ingaan op wat ik daar aan de orde heb gesteld.

De dag werd geopend door de Directeur-Generaal (hoogste baas) van het ministerie. Hij bleek goed op de hoogte van de ontwikkelingen: hij sprak over het rapport van de kwartiermaker/Transvisie, over de teleurstelling dat de wachttijden niet omlaag gingen, dat het ministerie graag meehelpt om de transgenderzorg vooruit te helpen – en stak ook de hand in eigen boezem door te zeggen dat de problemen in de transgenderzorg het ministerie overvallen hebben en hij ook graag wil nadenken hoe dit soort verrassingen in de toekomst voorkomen kunnen worden. Hij heeft nog even kort geluisterd naar de tweede presentatie (van de kwartiermaker), maar ging vrij snel weg naar een ander overleg. Toch vond ik het goed dat hij tijd vrij maakte om aan te geven dat ook het ministerie het belang van dit overleg goed in ziet.

Daarna kwam de kwartiermaker: die keek vooral terug naar wat er sinds het aanstellen van de kwartiermaker tot nu toe gebeurd is. Hij meldde ook dat de wachtlijst gelijk gebleven is sinds een jaar geleden. De gemiddelde wachttijd van transgenders zit maanden (!) boven de Treek-norm, dat is wat hem betreft onacceptabel. Wel hebben zich ook dit jaar meer transgenders aangemeld.

Baudewijntje Kreukels (onderzoekster/psycholoog A-UMC) hield daarna een presentatie over de ontwikkeling van de vraag naar transgenderzorg. Kern van het betoog: het aantal aanmeldingen in de transgenderzorg groeit nog steeds, er is in ieder geval geen reden om aan te nemen dat de hoeveelheid benodigde zorg komend jaar spontaan minder zal zijn dan dit jaar.

Casper Martens (Transvisie) en David Grim (Zorgvuldig Advies – het bureau van de Kwartiermaker) hebben het onderzoek van de Kwartiermaker en Transvisie toegelicht. Ik verwijs graag door naar het Facebook-bericht van Transvisie. Ze hebben duidelijk gemaakt dat lange wachttijden depressies veroorzaken en dat deze lange wachttijden vanuit transgenders gezien onacceptabel zijn. Wat ze heel goed deden was dat ze de irritatie van transgenders over de zinloosheid van diagnostiek vermeld hebben, en tegelijkertijd ook aangegeven hebben dat diagnostiek door andere transgenders wel als zinvol ervaren werd.

Lisa van Ginneken (Transvisie) heeft aan de hand van enkele foto’s verteld hoe transgenders tegen de zorg aankeken. Wat mij hiervan het meest bijgebleven is, is de foto van een bouwmarkt: ze heeft de cijfers van het vorige onderzoek aangehaald waaruit bleek dat als de wachttijd minder dan een jaar is, dat zo’n 21% van de transgenders aan zelfmedicatie (hormonen via internet) doet, als de wachttijd meer dan een jaar is dan verdubbelt het aantal transgenders dat voor zelfmedicatie kiest (41%).

Na de pauze kwam Justus Eisfeld aan het woord. Hij is terug in Nederland komen wonen en wordt binnenkort ook bestuurslid bij Transvisie. Deze presentatie deed hij echter vanuit zijn rol van voormalig bestuurslid van Callen-Lorde. Justus heeft ons toegelicht hoe de zorg er bij Callen-Lorde uit ziet: welke gesprekken, beginnen met halve hoeveelheid hormonen. Hij heeft meerdere keren verteld dat deze zorg weliswaar innovatief was, maar dat Informed Consent toch al 20 jaar bestaat. Hij heeft iedereen ook uitgenodigd voor een rondleiding bij Callen-Lorde. Later, in de forum discussie, heeft Annelijn Wensing-Kruger aangegeven dat ze hier zeker gebruik van gaat maken. Justus raadt aan om voor hormonen gebruik te maken van (eerst) gespecialiseerde (en later: alle) huisartsen en om transgenderzorg niet als ingewikkelde zorg te zien.

Hierop volgde een filmpje van iemand uit IJsland: ze hebben daar de zorg fors aangepakt, met een verbod op pathologisering van de zorg en gemakkelijk kunnen veranderen van voornaam en geslachtsindicatie in de burgerlijke stand. Opmerking uit de zaal: ze kwamen ook wel van heel ver. Dit suggereert, voor zijn gevoel, ook dat de situatie in Nederland erg last heeft van de wet van de remmende voorsprong. Dit was een breed gedeeld gevoel in de zaal.

Daarna mocht ik mijn verhaal houden (zie sheets https://frpublic.s3-eu-west-1.amazonaws.com/Toekomst+transgenderzorg+27-11+v++1.0.odp , hieronder aangevuld met zaken die niet op de sheet staan).

  • Ik heb wat lijntjes van verleden, via heden, naar de toekomst gelegd. Waarbij ik ook (zie pictogram van doolhof op de sheets) aangaf dat het soms lastig is om daar te komen, maar dat iedereen in dit doolhof wel de wil heeft om bij de uitgang te komen.
  • Bij de sheet van DSM-5: A-criteria gaan er van uit dat genderidentiteit (gi, beschrijving van je gender gevoel), de genderexpressie (ge, hoe je er uit ziet), de genderrol (gr, hoe een ander je ziet + je gedrag) en lichaamsdelen (ld) aan elkaar gelijk gesteld worden. Dat gaat op voor veel (trans)mannen en (trans)vrouwen, maar niet voor mensen met een non-binair voelende behandelvraag of een non-binaire genderidentiteit. Ik heb dit voor non-binaire behandelvraag toegelicht met het voorbeeld van iemand die met een mannenlichaam geboren was en gi=ge=gr=man, maar wel een vaginaplastiek nodig had. Past niet in de A-criteria (er werd door drie leden van het A-UMC genderteam “nee” geknikt, die zagen duidelijk het probleem). Ook bij non-binaire genderidentiteit gaat het fout: als je gi=ge=gr=ld serieus neemt, dan verwacht je bij een genderfluïde persoon dat die een koffer met kleren meeneemt om de genderexpressie meerdere keren per dag te wisselen. En dat die eerst met hem/zijn en een uur later met zij/haar aangesproken wil worden omdat de genderidentiteit veranderd is. Gelukkig (!) werkt het niet zo. Dit houdt ook in dat de angst voor grotere kans op spijt bij genderfluïde genderidentiteit ook ongegrond is.
  • Heb daarna bij de B-criteria aangegeven dat ik dit zorgverlening onwaardig vindt: zorg moet dysforie voorkomen, niet wachten tot het optreedt. Om deze reden ook het dringende verzoek om het vanaf nu niet meer over genderdysforie te hebben (het gaat niet primair om dysforie over ons gender), maar over genderincongruentie.
  • Bij ICD-11: Het is een goede zaak dat ICD-11 geen lijdensdruk meer meet, maar de verkeerde aanname over gi=gr=ld zit er nog wel in. Dus: graag uit de DSM (geen psychische aandoening meer), maar wel in de ICD blijven, met andere criteria. Voor ons gevoel zijn er maar 2 criteria relevant (1 van de 2 is voldoende): 1. heb je lichaamsdelen die je bij geboorte gekregen hebt maar die niet bij je passen? Dan is er zorg nodig om die lichaamsdelen te verwijderen. Of 2: heb je lichaamsdelen nodig die je niet hebt? Dan is er zorg nodig om die lichaamsdelen te krijgen.
  • Bij de opbouw-sheets voor rechten van artsen/psychologen/MDT/patiënt: in het verleden was de arts volledig verantwoordelijk voor alles. Dankzij Harry Benjamin kregen we later een psychische stoornis, toen leek het ook logisch dat de psycholoog diagnostiek ging doen: de arts werd verantwoordelijk voor de uitvoering, de psycholoog voor de diagnose. Dat vond de psycholoog niet zo leuk, want als patiënten spijt kregen dan kon de psycholoog zo maar aangeklaagd worden voor de verkeerde diagnose. Oplossing: Multi-Disciplinair Team. Nu komen in de zorg meer MDT’s voor, maar in die MDT’s zitten dan artsen, verpleegkundigen, psychologen waarbij iedereen ook zonder dossier weet wie de patiënt is. Bij ons weet alleen de keuringspsycholoog dat: er is weliswaar een arts bij de intake geweest, maar dat is al weer maanden geleden en de arts heeft zonder dossier geen idee wat daar besproken is. De overige deelnemers hebben de patiënt nog nooit gezien. Terugkomend op het doel: de patiënt heeft geen idee wie er in dit team zit m.u.v. de eigen keuringspsycholoog en weet dus ook niet meer wie die aan moet klagen. Bovendien is nu iedereen een beetje, dus niemand als persoon verantwoordelijk, dus probleem opgelost… totdat iemand bedacht dat het raar is dat iedereen, MET UITZONDERING VAN DE PATIëNT verantwoordelijk is. Dat is opgelost via “shared decission making”. Het rare daarbij is wel, dat de patiënt geen enkele invloed heeft op de mate waarin diagnostiek gedaan wordt, niet aanwezig is bij de besluitvorming in het MDT, maar zich wel mede verantwoordelijk moet stellen voor de besluitvorming. En als je dan denkt: “nu is -echt- iedereen verantwoordelijk”, dan bekijk je de wetgeving en dan blijkt dat de arts uiteindelijk wel volledig eindverantwoordelijk is. Voor activisten een goede reden om het multidisciplinaire team af te willen schaffen.
  • Keuringspsychologen weten net zo weinig als medewerkers van het ministerie, medewerkers van verzekeraars of collega-transgenders: de enige die weet wat die voelt is de transgender. Bij transgenders heet de keuring wel “examen man” of “examen vrouw”, en bij examens is een leerboek wel handig. Om deze reden hebben we de site www.StopGatekeeping.nl gemaakt. Ik had gehoopt dat dit ertoe zou leiden dat de gatekeeping zou worden afgeschaft omdat psychologen inzien dat hun controles zinloos zijn, maar daar werd ik in teleurgesteld. Sommige mensen denken “baadt het niet, dan schaadt het niet”, maar dit klopt niet: door de lange doorlooptijd van diagnostiek is de hoeveelheid dysforie aan het einde van de diagnostiek eigenlijk altijd groter dan aan het begin van de diagnostiek. Kortom: voer Informed Consent in.
  • Bij Informed Consent: ik heb dit weinig uitgelegd, vooral verwezen naar Justus zijn verhaal (dat is ook de manier waarop we het graag in Nederland zien).
  • Beeldvorming: het beeld dat transgenderzorg ingewikkeld is klopt niet. We hebben op het, mede door het Amsterdamse genderteam georganiseerde, wereldwijde transgenderzorg congres in Amsterdam het verhaal gehoord van drie huisartsen uit Canada. Die gaven aan dat genderzorg niet ingewikkeld is. Zij denken bij ingewikkelde zorg onder meer aan depressies: je hebt er 8-10 verschillende soorten medicijnen waarvan ieder medicijn voor- en nadelen heeft en geschikt is voor een specifiek type patiënt. Dat is dus best lastig om de juiste medicijnen voor jouw patiënt te zoeken. Ook de hoeveelheid is een probleem: als je te veel voorschrijft, gaan mensen als een zombie leven, dat is slecht voor de kwaliteit van leven. Als je te weinig voorschrijft, dan helpen de medicijnen onvoldoende, dan doen de patiënten aan zelfdoding, dat was nu net niet de reden dat ze op het spreekuur kwamen. Transgenderzorg daarentegen kent maar een paar soorten medicijnen, je schrijft een standaard hoeveelheid voor, als er bijwerkingen optreden dan breng je de hoeveelheid naar beneden, als er geen bijwerkingen zijn en de patiënt vraagt om meer, dan geef je meer. Conclusie: transgenderzorg is niet ingewikkeld, geen enkele reden voor multidisciplinaire teams en verplichte psychologen.
  • Medisch model: het gaat om het verschil tussen veel kennis hebben en daardoor veel verantwoordelijkheid willen nemen over een anders’ proces, waarbij als de behandeling niet tot een oplossing leidt de diagnostiek wel mis moet zijn. Wij willen liever een coachingsmodel: een behandelaar die naast de transgender staat, waarbij de transgender besluiten neemt over wat nodig is en wat niet en waarbij bij fouten gekeken wordt wat je dan kunt doen om het op te lossen.
  • Adolescentenzorg: The Dutch Approach klinkt heel vooruitstrevend, maar ons doel gaat verder: jong volwassenen op hetzelfde moment als diens niet-transgender vriendjes/vriendinnetjes dezelfde lichamelijke ontwikkeling geven.
  • Toekomstige zorg: er is wel degelijk nog een rol voor een (helpende) psycholoog, maar wel met een Chinese muur tussen die helpende psycholoog en de behandelaars, omdat je anders één grote “goed nieuws-show” krijgt waardoor je niet de hulp zult kunnen bieden die je wilt bieden.

    Vraag na afloop: hoe maak je verschil tussen een patiënt die je op basis van Informed Consent kunt behandelen en een patiënt waarbij dit niet kan? Ik heb uitgelegd dat dit werkt op basis van twee criteria: iemand kan zelf over diens eigen zorgproces beslissen en iemand snapt de consequenties. Ze vroeg hoe je bepaalt dat iemand over diens eigen zorgproces kan beslissen, ik heb daarbij uitgelegd dat iemand die dermate depressief is dat die diens bed niet meer uitkomt prima volgens gatekeeping behandeld kan worden, maar als iemand met het OV of met eigen auto naar de behandelaar toe rijdt, dat zo iemand dan ook al snel wel in staat geacht moet worden over diens eigen zorgproces te beslissen. (Ze klonk niet overtuigd).

    (In alle presentaties die hierna volgenden had iedereen het ineens over genderincongruentie en Joep Roeffen heeft heel uitgebreid uitgelegd waarom hij in de zorg van transgender jongeren niet zonder MDT kon. Mijn conclusie: het lijkt erop dat opnieuw de transgender die de meeste zorg nodig heeft de maat wordt van hoe elke transgender behandeld moet worden. Aan de andere kant kwam, zelfs vanuit het A-UMC, regelmatig de conclusie naar voren dat transgenderzorg “zorg op maat” is. Helaas voor ons lijkt dit wel nog steeds de maat van de behandelaars te zijn).

    Daarna vertelde Tim van der Grift (onderzoeker A-UMC) over de onderzoeksagenda van het Amsterdamse genderteam. Zijn mening: alles moet onderzocht kunnen worden (ook hersenonderzoek bij transgenders). Ik heb me deze keer maar stilgehouden.

    Joep Roeffen (psycholoog, coördinator van genderteam Zuid-Nederland) vertelde waar hij bij het bouwen van een zorgnetwerk tegenaan loopt. Het blijkt enorm lastig te zijn om hormoonbehandelingen vergoed te krijgen: sommige verzekeraars willen alleen vergoeden op basis van diagnostiek van een universitair ziekenhuis (lees: A-UMC). Een ander probleem is, bleek ook uit de zaal, dat als een ziekenhuis besluit om hormoonbehandelingen voor transgenders erbij te doen, dat dit dan ten koste gaat van andere zorg (bv: ouderenzorg) in datzelfde ziekenhuis. De Kwartiermaker dacht dat dit iets genuanceerder lag en is bereid hierbij te helpen, aan de andere kant zijn er wel heel gedetailleerde regels (met als doel de totale zorg goedkoper te maken) die hierbij dwars liggen.

    Hierna kwam een forumdiscussie (met Lisa als presentator en Annelijn Wensing-Kruger (hoofd psychologenteam A-UMC), Marco Ruiter (Zilveren Kruis) en mij als panelleden). Een paar opvallende zaken hieruit:

  • Annelijn Wensing-Kruger gaf aan dat ze verder naar de rol van de psycholoog wil kijken. Ze vindt het wel nodig dat psychologen de inschatting maken of iemand op basis van Informed Consent behandeld wordt of niet (uit opmerkingen uit de zaal bleek dat ook genderteam Zuid-Nederland hier zo in zit). Er zit een groot verschil tussen patiënten, zorg op maat is nodig. Ze gaf aan dat het aantal gesprekken en ook de doorlooptijd van diagnostiek binnen het A-UMC per patient sterk verschilt: sommige mensen zijn na 1 gesprek klaar, anderen hebben meerdere gesprekken. Ze herkende zich hierdoor ook niet in het door mij geschetste beeld dat (dankzij A Campo) er een minimum diagnostiek periode van 6 maanden zou zijn (laat me a.u.b. weten als je hier andere signalen over krijgt).
  • Marco Ruiter gaf aan dat hij vanuit de zorgverzekeraars misschien wel een andere vorm van DBC’s wil overwegen als dat de doelgroep (behandelaars) helpt. Hij kwam eerst met het idee dat er misschien wel drie centrale centra kunnen komen (Amsterdam, Groningen en Nijmegen, gecentreerd rond universitaire ziekenhuizen), maar toen Lisa hierop doorvroeg was hij het er later toch wel mee eens dat veel zorg niet moeilijk is en dat die zorg ook via huisartsen of lokale niet-universitaire ziekenhuizen gegeven zou kunnen worden.
  • Het lijkt erop dat behandelaars nog steeds heel sterk denken vanuit netwerken in de zorg, waarbij behandelaars vooral naar elkaar gaan doorverwijzen omdat (met name) de psycholoog goed weet waar “aanvullende zorg” beschikbaar is. Toen Lisa vroeg hoe ik hier tegenaan kijk, heb ik aangegeven dat ik graag de transgender in de lead wil hebben. Ik vind de TIP website in België wel mooi: een landkaart, waar allerlei ballonnetjes oppoppen als je klikt dat je een endocrinoloog nodig hebt.

    Opmerking uit de zaal die zo maar ergens opplopte bij een andere presentatie op basis van mijn presentatie:

  • Een behandelaar uit Nijmegen kwam met de opmerking dat Informed Consent wel leuk klinkt, maar dat behandelaars niet weten wat de consequenties van hormoonbehandelingen of operaties op de langere termijn zijn. Ik ben daar direct op ingesprongen: dit verhaal klopt niet, via ENIGI is kennis van meerdere jaren beschikbaar. Ik heb aangegeven dat Martin den Heijer (endicronoloog, hoofd A-UMC genderteam, ook aanwezig) hier meer over kon vertellen. Hij gaf aan dat die kennis er inderdaad is voor iedereen die vanaf 1972 behandeld is. Deze gegevens  kunnen niet zo maar gedeeld worden, ivm de privacy van patiënten. Aan de andere kant kan er wel kennis gedeeld worden: hier lopen gesprekken met het universitaire ziekenhuis in Groningen en hij is graag bereid om de kennis uit het ENIGI programma ook te delen met andere behandelaars in Nederland.
  • Een endocrinoloog kwam met de opmerking dat er nu een onderzoek gedaan is naar transgenders, maar dat er ook een onderzoek naar behandelaars zinvol zou kunnen zijn, om te kijken hoe die over Informed Consent denken. Hij zou het zelf niet aandurven om zonder hulp van een in gender gespecialiseerd specialist (hoeft geen psycholoog te zijn, maar moet wel meer weten dan hij) een besluit te nemen over hormoonbehandelingen. Ik heb daarop gereageerd dat als je nooit begint met Informed Consent, dat je het dan ook nooit aandurft om volgens Informed Consent te gaan behandelen. En dan kun je deze opmerking over 5 jaar opnieuw maken.

    Niet-officiële gesprekken:

  • Ik heb gesproken met mensen van het ministerie en ook met een enkele zorgaanbieder. Het lijkt erop dat minimaal 1 bestaande zorgaanbieder het verhaal van Justus en mij over Informed Consent serieus neemt en daar misschien??? ook iets mee wil doen. Ik zal dit later opvolgen door nog eens contact met hem te leggen.
  • Bij 1 andere zorgaanbieder kreeg ik in de gang een herhaling van zetten t.o.v. een soortgelijk gesprek dat ik bij de EPATH in Rome met hem had: hij vond dat het heel goed was dat hij allerlei vormen van zorg aanbood aan transgender kinderen – ook als dat geen onderdeel van de hulpvraag was. Ik vond (en vind) dat hij dat alleen mocht doen als er ook een hulpvraag was: hij mag het aanbieden, niet afdwingen. Dit bleek voor hem nog steeds erg moeilijk te zijn.
  • Vanuit het ministerie vroegen ze of het mogelijk is om transgenders te motiveren om ook een klacht bij het ministerie (inspectie) in te dienen. Ze kunnen nu weinig doen omdat ze geen klachten krijgen. Ze vermoeden wel, dat dit ook komt doordat transgenders geen klacht in durven te dienen bij een behandelaar waar ze nog onder behandeling zijn. Ik heb aangegeven dat er wel veel klachten ingediend worden bij de organisaties zelf (eigen klachtenprocedure van het A-UMC bijvoorbeeld), maar dat transgenders wellicht bang zijn dat als de inspectie in gaat grijpen dat dit ten koste gaat van het sowieso aanbieden van zorg door dat genderteam. Ik verwacht dat dit gaat veranderen als er meer aanbieders zijn van transgender zorg waardoor we minder afhankelijk worden van het A-UMC en ik verwacht ook dat -als- er één aanbieder komt die het aandurft om op basis van Informed Consent te werken, dat dit dan zal leiden tot “stemmen met de voeten”. Dat leek haar (en mij) een goede zaak, in die zin zitten de lange wachtlijsten dus ook de kwaliteit van de transgenderzorg in de weg.
  • Ik heb iemand anders van het ministerie verteld, dat het in Nederland ook heel goed zou zijn als het ministerie, net als in IJsland, een wet zou invoeren die pathologisering in de transgenderzorg verbiedt. Dat zou de zorgaanbieders ook motiveren om serieus om te schakelen naar Informed Consent, in plaats van (zoals nu tijdens discussies bleek) telkens redenen te zien waardoor de inschattingen van een psycholoog toch nodig zijn in de bepaling welke zorg er nodig is. Of voor het doorverwijzen van die psycholoog naar andere zorgaanbieders zoals hormoonaanbieders of operatie artsen. Het lijkt erop dat het nog niet echt doordringt dat ICD-11 ook betekent dat de rol van de psycholoog, die tot dusver vanzelfsprekend was, niet meer zo vanzelfsprekend is. Ook daar ligt nog missiewerk (terecht ook aangestipt door Sophie vanuit TNN).

    Deze medewerker van het ministerie gaf aan, dat de Tweede Kamer net als de rest van Nederland niet altijd positief ten opzichte van transgenders is. Hij vroeg zich af wat we hier aan konden doen. Mijn antwoord: doorgaan met waar we nu al mee bezig zijn. Elke week een filmpje of artikel in de media over transgenders. Zorgen dat heel Nederland transgenderzorg normaler vindt (je ziet voor mijn gevoel nu al een verschil tussen vervelende opmerkingen 4 jaar geleden en vervelende opmerkingen nu: het zijn er minder, en zowel transgenders als niet-transgenders reageren op die vervelende opmerkingen terwijl transgenders 4 jaar geleden hun mond dicht hielden uit vervelende opmerkingen vermijdend gedrag). Ook meer in de media brengen over non-binair voelende transgenders.

  • Ik heb in de wandelgangen met iemand van VWS gesproken die het eens was met de endocrinoloog over meer onderzoek naar hoe behandelaars over Informed Consent denken. Ik heb daarbij als antwoord gegeven dat ik ook zonder onderzoek wel weet hoe ze daar nu (zonder meer informatie) over denken: op dit moment durft niemand dat aan. Vervolgens wordt het resultaat van dat onderzoek misbruikt om in geen jaren iets met Informed Consent te willen doen. Volgens haar hoeft dat niet zo te zijn als je het onderzoek meer richt op “wat is er nodig om wel Informed Consent in te voeren” dan op “wat vind je er nu van”. Misschien een interessante gedachte.

    Opmerking van de verslaggeefster 
    Mijn indruk: toen ik dit programma voor het eerst zag, was ik zwaar onder de indruk: het lijkt erop dat de wil om te veranderen groter is dan ik gedacht had. Tegelijkertijd merk ik aan sommige vragen en in de wandelgangen dat het willen handhaven van de huidige zorg echt heel hardnekkig is. Ik hoop, dat de kwartiermaker en Transvisie de opmerkingen uit hun onderzoek (dat veel transgenders de rol van de psycholoog overbodig vinden) en de opmerkingen van Justus en mij (dat het allemaal veel simpeler kan en dat transgenderzorg niet gecompliceerd is) combineren tot de aanbeveling dat we ook in Nederland -echt- Informed Consent gaan doen. Het zou helpen als één van de bestaande (grotere) behandelaars ons hierbij kan/wil helpen. Ik kreeg vanuit de zaal het gevoel dat vooral nieuwe behandelaars (bv Nijmegen) hier voor open zouden kunnen staan: niet door het direct in te voeren, wel door onze ideeën te challengen. Veel bestaande zorgaanbieders hoor je niet in de discussies, die negeren onze signalen en gaan verder met hoe ze nu gewend zijn zorg aan te bieden.

READ MORE


KID wordt ook de komende jaren vergoed

Het COC weet te melden dat KID (kunstmatige inseminatie met donorzaad) de komende jaren vergoed blijft worden voor alleenstaande vrouwen en lesbische koppels. Deze vergoeding wordt niet opgenomen in de basisverzekering, maar er komt een subsidieregeling voor. Zie verder de website van het COC.

READ MORE


Nederlandse kwaliteitsstandaard voor somatische transgenderzorg vastgesteld

Bij de brief die de minister heeft gestuurd naar de Tweede en Eerste Kamer over de voortgang van de Kwartiermaker heeft de minister de Kamers geïnformeerd over het feit dat de Nederlandse kwaliteitsstandaard voor de somatische transgenderzorg is vastgesteld.

Het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten heeft de ‘Kwaliteitsstandaard somatische transgenderzorg’ gepubliceerd. Deze standaard beschrijft waaraan goede transgenderzorg moet voldoen. Transvisie is intensief betrokken geweest bij het maken van deze standaard en is blij dat hij er nu eindelijk is. “Met deze standaard zetten we een belangrijke stap richting de moderne transgenderzorg waar transgender personen al jaren om vragen”, aldus Lisa van Ginneken, voorzitter van Transvisie en onderhandelaar namens de transgender gemeenschap. Maar er is meer nodig.

Transvisie zou met name graag zien dat de rol van de psycholoog verder afgebakend wordt, met shared decision making als ondubbelzinnig uitgangspunt. “Die aanscherping is in de eerste plaats vanuit mensenrechtelijk perspectief noodzakelijk. We zien in de praktijk ook hoe de huidige uitgebreide psychologische intake mensen uit hun kracht haalt. Die kost ook nog eens onnodig veel tijd en geld en werkt wachtlijsten in de hand. Daarom roepen we zorgaanbieders op om verder te gaan dan deze tekst voorschrijft”, aldus Lisa.

Maatwerk wordt in de standaard wel onderkend, maar mag nog centraler komen te staan. Dat was niet alleen voor non-binaire transgender personen goed geweest, maar ook voor binaire transgender personen die meer maatwerk in hun behandeling zoeken.

Gelukkig heeft Transvisie in de onderhandelingen ook veel verbeteringen bereikt. Zo zijn veel voorwaarden voor behandelingen nu geformuleerd als advies in plaats van als eis, is mastectomie voor jongeren onder 18 jaar nu onomwonden mogelijk en kan de huisarts een rol nemen in het uitvoeren van nacontroles. Ook is multidisciplinair werken in netwerkverband expliciet erkend als goede transgenderzorg en dit is volgens Lisa belangrijk: “Er is de afgelopen jaren veel gedoe geweest met verzekeraars die weigerden om belangrijke zorg te vergoeden, omdat ze behandelaren met jarenlange ervaring niet vertrouwden. Met deze standaard ligt er een concreet kader waarmee verzekeraars de zorgaanbieders kunnen beoordelen. Niets staat hen nu dus in de weg om meer zorg bij meer aanbieders te gaan inkopen en zo de wachtlijsten weg te werken. En dat is hard nodig”.

De ruimte van de psycholoog tijdens de intake wordt op een aantal punten afgebakend. Zo zal deze vanaf nu eerdere conclusies van andere behandelaren als uitgangspunt overnemen. Ook moet de psycholoog er vanaf nu van uitgaan dat de transgender persoon de behandeling in principe kan dragen, tenzij nadrukkelijk anders blijkt. Transvisie hoopt dat hierdoor psychologen meer een begeleider worden en transgender personen gaan ondersteunen bij de zoektocht en/of transitie. “Als psychologen minder lijstjes hoeven af te vinken, kunnen ze hun professionele kwaliteiten en vakmanschap gaan inzetten. Dat moet hen toch ook bevallen”, aldus Lisa.

Omdat deze standaard volgens Transvisie een tussenstap is, heeft Lisa aangedrongen op de afspraak om hem over twee jaar te gaan actualiseren: “Dan kunnen internationale ontwikkelingen als de ICD-11 en de door de Kwartiermaker voorgestelde verbeteringen ook een plek krijgen. Ik roep beroepsverenigingen en het ministerie op om hiervoor financiële middelen beschikbaar te maken”, aldus Lisa.

Transvisie heeft voor deze zorgstandaard onderhandeld met de beroepsverenigingen van alle medische en psychologische disciplines die betrokken zijn bij transgenderzorg. Dit proces is begeleid door het Kennisinstituut van de Federatie Medisch Specialisten. Een zorgstandaard is belangrijk voor zorgaanbieders en verzekeraars, zodat ze weten wanneer zorg goed genoeg is om aan te bieden of te contracteren. Voor de zorggebruikers maakt een zorgstandaard duidelijk wat men van de zorgaanbieder mag verwachten.

Transvisie spreekt hierbij dank uit naar de leden van haar focusgroep. Deze vertegenwoordigers uit de community en van Transvisie en andere belangenorganisaties hebben het mogelijk gemaakt dat Lisa namens hen voortvarend heeft kunnen onderhandelen. Lisa: “Ik kan echt niet alle research zelf bijhouden en ordenen en ik was blij met alle hulp en het kritisch meedenken vanuit de focusgroep. Ik dank ook de vertegenwoordigers van de medische beroepsverenigingen. Ondanks de soms pittige discussies is het overleg altijd respectvol en waardevol gebleven”.

De tekst van de Kwaliteitsstandaard is beschikbaar via de Richtlijnendatabase van de Federatie Medisch Specialisten.

[Naast dit nieuwsbericht over de somatische kwaliteitsstandaard, gaan we in twee aparte nieuwsberichten nader in op de Kamerbrief van de minister (Titel nieuwsbericht: Minister stuurt brief over de situatie in de transgenderzorg naar de Tweede Kamer) en op het onderzoeksrapport transgenderzorg (Titel nieuwsbericht: Reactie Transvisie op de uitkomsten van het onderzoek naar de transgenderzorg)].

READ MORE


Reactie van Transvisie op de uitkomsten van het onderzoek naar de transgenderzorg

Bij de brief die de minister op 26 november naar de beide Kamers heeft gestuurd over de voortgang van de Kwartiermaker Transgenderzorg is ook het ‘Onderzoeksrapport ervaringen en behoeften van transgenders in de zorg’ opgenomen. 

Aanleiding voor het onderzoek was de opdracht aan de Kwartiermaker Transgenderzorg om de knelpunten in de transgenderzorg te duiden en zorgaanbieders en zorginkopers aan te sporen de knelpunten te verlichten. Aan het onderzoek hebben 1237 mensen deelgenomen in de leeftijd van 4 tot 81 jaar met een gemiddelde leeftijd van 27 jaar. Het onderzoek spitste zich toe op de ervaringen van de deelnemers naar de transgenderzorg die mensen hebben ontvangen in de periode 2017 – 2019.

De resultaten van het onderzoek zijn op zichzelf staand van waarde. Er is inzicht gekomen in de knelpunten in de transgenderzorg, de gevolgen van de lange wachttijden en wat goed is en wat beter kan. Het onderzoek kan als basis dienen om het toekomstbestendige transgenderzorgaanbod vorm te geven. 

De Kwartiermaker Transgenderzorg heeft het onderzoek gepubliceerd dat hij samen met Transvisie heeft gedaan naar ervaringen en behoeften in de transgenderzorg. Het onderzoek maakt wat ons betreft overtuigend zichtbaar dat de transgenderzorg in Nederland verder verbeterd moet worden. Lisa van Ginneken, voorzitter van Transvisie hierover: “Gecentraliseerde academische zorg heeft zijn beste tijd gehad. De in gang gezette decentralisatie en normalisatie van deze zorg moet snel en doortastend verder doorgezet worden”.

De urgentie hiervan blijkt heel duidelijk uit de impact van de lange wachttijden die het onderzoek blootlegt. Bij vrijwel alle onderdelen van de transgenderzorg vindt ruim 80% van de transgender personen de wachttijd (te) lang. Het wachten roept schrikbarend vaak gevoelens van depressie, suïcide en sociale isolatie op en voor velen staat het leven tijdelijk stil. “Alle partijen moeten alles op alles zetten om die wachttijd verder terug te dringen. Meer zorgaanbod en eenvoudiger procedures wat ons betreft”, aldus Lisa.

Transgenders zijn gemiddeld genomen tevreden over de zorg als het gaat om bejegening en behandeling. De onderlinge samenwerking tussen zorgaanbieders moet wel beter: slechts 38% respectievelijk 39% van de respondenten is tevreden over dossieroverdracht en doorverwijzingen.

Uit het onderzoek blijkt duidelijk een behoefte aan meer maatwerk, alle vlakken van de zorg. ‘Het traject’ bestaat niet. Er is meer aandacht voor de behoeften en behandelkeuzes van non-binaire personen gewenst. Daarnaast werd in een kwart van de gevallen bij de genderbehandeling onvoldoende rekening gehouden met bijkomende aandoeningen. De zorg is sterk geconcentreerd en dat terwijl ook nu weer blijkt dat de tevredenheid met de zorg van de (kleinere) decentrale aanbieders hoger is. Dit zagen we ook al in het onderzoek dat Transvisie in 2016 deed. De impuls om door te verwijzen naar academische centra blijkt ten onrechte nog steeds groot.

Decentrale aanbieders kunnen hun zorgaanbod completer maken om keuzevrijheid te vergroten en wachttijden te verminderen. Lisa legt uit: “Vooral puberteitsremming wordt echt gemist, daar zijn wachttijden lang en extra frustrerend. Hier ligt ook overigens ook een rol voor verzekeraars wat mij betreft: zij moeten de vorming van decentrale netwerken beter faciliteren dan ze tot nu toe deden. Minder terughoudend met contractering en toekennen van individuele machtigingen.

De controlerende rol van de psycholoog vóór de start van de medische behandeling – de zogeheten indicatiestelling – is te groot, zo blijkt ook uit dit onderzoek: de gemiddelde duur van dit traject is 9 à 10 maanden en dat vinden respondenten te lang. Bovendien gaf slechts tussen de 60 en 63% van de respondenten een voldoende aan de geboden steun, de aansluiting op de behoefte en het kunnen meebeslissen. Het wordt vaak gezien als een noodzakelijke maar onnodige stap. “Wij pleiten voor een verregaande heroverweging van de rol van de psycholoog bij de indicatiestelling. Dit maakt capaciteit vrij voor meer indicatiestellingen en voor een zinvollere bijdrage van de psycholoog”, aldus Lisa.

Het onderzoek laat ook zien dat er behoefte is aan betere nazorg. Lisa: “Wat ons betreft gaat het dan niet alleen om goede en tijdig beschikbare nazorg bij gespecialiseerde aanbieders. We zouden graag zien dat de handelingsverlegenheid bij reguliere zorgaanbieders minder wordt. Beroepsorganisaties en opleidingsinstituten moeten forser investeren in kennis over transgender personen in de reguliere beroepspraktijk, zodat transgender personen minder snel voor wissewasjes naar de academische centra worden gestuurd.

Ook de informatievoorziening van zorgaanbieders en zorgverzekeraars is niet best, zo blijkt uit de resultaten van het onderzoek. Slechts 17% vindt de informatie van verzekeraars over vergoedingen en kosten (heel) duidelijk. “Wij merken dat dagelijks door de vele telefoontjes en mails die we krijgen en de enorme hoeveelheid mensen die informatie vindt op onze website”, legt Lisa uit. Uit de toelichtingen die mensen in het onderzoek hebben gegeven blijkt ook duidelijk dat mensen vaak goede informatie vinden bij Transvisie of andere bronnen in de transgender gemeenschap. Lisa vervolgt: “Aanbieders en verzekeraars moeten hun informatievoorziening echt verbeteren. Wij willen daar een rol in spelen. Als vrijwilligersorganisatie zullen we dan wel verder gefaciliteerd moeten worden dan nu het geval is. We nemen aanbieders en verzekeraars graag werk uit handen.

Transvisie is blij met de zeggingskracht van de conclusies van dit onderzoek. Dat was niet mogelijk geweest zonder de enorme respons vanuit de community en soms aangrijpende en altijd persoonlijke verhalen die velen in het onderzoek met ons hebben gedeeld. Wij danken jullie daarvoor.

Lees het gehele rapport hier: (onderzoeksrapport-ervaringen-en-behoeften-van-transgenders-in-de-zorg).

[Naast dit nieuwsbericht over het Onderzoeksrapport over de transgenderzorg, gaan we in twee aparte nieuwsberichten nader in op de Somatische Zorgstandaard (Titel nieuwsbericht: Nederlandse kwaliteitsstandaard voor de somatische transgenderzorg vastgesteld) en op de Kamerbrief van de minister (Titel nieuwsbericht: Minister stuurt brief over de situatie in de transgenderzorg naar de Tweede Kamer)].

READ MORE


Transgender, een toegankelijke gids gepresenteerd

Vandaag (1 november 2019) is het boekje Transgender, een toegankelijke gids gepresenteerd tijdens het landelijk symposium LHBTI en LVB. We hebben onze voorzitter Lisa van Ginneken daar een paar vragen over gesteld.

Voordat we echter aan onze vragen toekwamen merkte Lisa op dat ze erg blij is dat deze gids er nu is.

Voor wie is deze Gids bedoeld? Deze gids is geschreven voor licht verstandelijk beperkte mensen – lvb mensen – die hun genderidentiteit willen onderzoeken en/of die in transitie willen gaan. De gids is ook bedoeld voor zorgprofessionals om hier met lvb mensen over te kunnen praten. Ook voor laaggeletterden zou de gids een uitkomst kunnen zijn.

Wat staat in de gids? Deze gids behandelt de complexe materie rondom transgender-zijn en in transitie gaan in toegankelijke taal en met behulp van illustraties. Wat is het verschil tussen gender en geslacht? Hoe vertel je aan je omgeving dat je trans bent? Wat gebeurt er met je lichaam als je hormonen gebruikt? Deze en veel meer vragen over medische, sociale en juridische transitie komen aan bod.

Hoe is Transvisie op het idee gekomen om deze gids te willen ontwikkelen? Eigenlijk heel toevallig. Ik ben bevriend met een Engelse transvrouw en toen ik begin dit jaar bij haar was liet ze me de Transgender Easy Read Guide zien waar zij aan had meegewerkt. Een Engelse versie, ontwikkeld door Achieve Together en Change. Omdat ik in van dichtbij weet hoe moeilijk het is voor licht verstandelijk beperkte mensen om serieus genomen te worden in hun gevoelens, realiseerde ik me meteen hoe ingewikkeld het moet zijn als je dan ook transgendergevoelens hebt. Binnen één seconde besloot ik: dit boekje moet er ook in Nederland komen.

Hoe is de gids tot stand gekomen? Toen ik met de Engelse versie in mijn koffer weer thuis kwam, ben ik partners gaan zoeken om samen met Transvisie de Nederlandse versie te gaan realiseren. TNN en COC Zonder stempel waren ook meteen enthousiast over het idee. Vervolgens hebben we met een team de Nederlandse versie gemaakt. Dat was iets meer werk dan gewoon vertalen, want de situatie in Nederland is voor transgender personen echt anders dan in Engeland. We hebben de gids getest bij mensen met een licht verstandelijke beperking om te zien of we het een beetje goed gedaan hadden. Aan hun input hebben we veel gehad.

Hoe kunnen mensen aan deze gids komen? Deze is gratis hier te downloaden transgender-een-toegankelijke-gids-2019. Een papieren versie van de gids is te bestellen tegen betaling van administratie- en verzendkosten via TNN.

READ MORE


Radboudumc in Nijmegen start transgenderkliniek

Goed nieuws uit Nijmegen!

Het Radboudumc opent in januari een transgenderkliniek. Voorlopig alleen voor kinderen en jongeren maar op termijn zal de begeleiding en medische zorg ook ook voor volwassenen mogelijke zijn. Radboudumc en Ziekenhuis Rijnstate in Arnhem zijn in gesprek om in de toekomst ook gezamenlijk de transgenderzorg aan te bieden aan volwassenen.

Transvisie heeft de laatste jaren op alle plekken waar dat zinvol was bij voortduring aandacht gevraagd voor de schrijnende wachtlijsten in de transgenderzorg. We zijn dan ook blij met deze eerste stap om te komen tot betere zorg . Wij adviseren het Radboud over hoe ze deze zorg het beste kunnen inrichten en zijn daarover al een paar maanden in gesprek.

Zie ook de berichtgeving van Radboudumc hierover

Onze informatie is dat het nog niet mogelijk is om kinderen en jongeren aan te melden voor deze zorg. Zodra we weten hoe dat kan zullen we dat op onze website vermelden. In tegenstelling tot de titel van de berichtgeving van de Gelderlander zullen de geslachtsoperaties voor volwassenen dus pas op termijn mogelijk zijn.

 

 

READ MORE


Herevaluatie van de Nederlandse aanpak: Zijn recentelijk doorverwezen jongeren anders dan die uit het verleden?

Het artikel ‘Re-evaluation of the Dutch approach: are recently referred transgender youth different compared to earlier referrals? van Arnoldussen et al. (2019) behandelt het onderzoek naar de ‘Nederlandse aanpak’ bij jongeren in het verleden en nu. Voor de volledige Engelse tekst klik hier.

Hier volgt een Nederlandse samenvatting van dit artikel:

Voor dit onderzoek zijn jongeren vergeleken die zijn doorverwezen naar de genderkliniek van het Amsterdam UMC, in de periode 2000 en 2016. Er is gezocht naar overeenkomsten en verschillen in demografie, psychologie, diagnose en type behandeling. Er zijn voor dit onderzoek verschillende bronnen gebruikt, zoals de Child Behaviour Check List, de Youth Self-Report en de Utrecht Gender Dysphoria Scale.

De groep bestaat uit 1072 adolescenten, waarvan 404 “geboren als man” en 668 “geboren als vrouw”. De gemiddelde leeftijd is 14.6 jaar (jongste persoon is 10.1 en de oudste 18.1 jaar). Interessante data zijn :

  • Demografische gegevens: 54% leeft met beide biologische ouders, 41.9% leeft in een anders situatie, van 4.1% is de leefsituatie onbekend. 54.1% van de ouders heeft beroepsonderwijs gedaan (MBO), 41.9% heeft hoger beroepsonderwijs of academisch onderwijs gevolgd (HBO en universiteit), van 15.8% is het onderwijsniveau onbekend.
  • In totaal zijn 107 diagnoses vroegtijdig stopgezet, vaak omdat de jongere zelf op dat moment geen medische behandeling meer wilde. Heel soms deed de psycholoog dit, omdat er psychologische of sociale problemen waren die de diagnose verstoorde.

Uit het onderzoek is gebleken dat er tussen 2000 en 2016 een verschil is in het “aangeboren geslacht” van de deelnemers. Waren in 2000 de meeste jongeren nog “geboren als man”, in 2016 zijn de meeste “geboren als vrouw”. De volgende figuur laat dit verschil goed zien:

Er zijn geen verschillen gevonden in de demografische gegevens door de jaren heen. Ook het IQ is gelijk gebleven. Wel bleek dat het psychologische functioneren van de deelnemers licht was toegenomen. De hoeveelheid doorverwezen jongeren die uiteindelijk de diagnose genderdysforie kregen bleef gelijk, namelijk gemiddeld 84.6%. Ook bleef het percentage jongeren die begon me een medische behandeling (puberteitsremmers of een hormoonbehandeling) gelijk (gemiddeld 77.7%).

Deze bevindingen suggereren dat de recentelijk gestegen hoeveelheid doorverwijzingen laten zien dat het zoeken van hulp bij genderdysforie gewoner is geworden, de drempel lijkt minder hoog. De resultaten laten niet zien dat de toename van het aantal doorverwijzingen kan worden toegeschreven aan het feit dat er meer jongeren worden doorverwezen met een lagere intensiteit van genderdysforie of jongeren met andere psychologische problemen. Dit betekent dat een vroege start met een medische behandeling, zoals puberteitsremmers, kan worden voortgezet. Dit gebeurt al langer bij de “Dutch aproach ”. Nu de jongeren die vanaf 2000 zijn behandeld volgens de onderzochte gegevens gelijk zijn aan de jongeren die in 2016 of later beginnen, is er geen reden om te stoppen met deze Nederlandse aanpak.

Het verschil in de “geboren als man” en “geboren als vrouw” ratio wordt ook geduid. De onderzoekers denken dat het makkelijker is voor jongeren die zijn “geboren als vrouw”  om uit te komen voor hun gendergevoelens, omdat zij minder te maken hebben met een maatschappelijk stigma. Het zou kunnen zijn dat jongeren die zijn “geboren als man” , meer met stigma te maken hebben als zij zich vrouwelijk gedragen. Ook hebben jongeren die zijn “geboren als vrouw” eerder te maken met de puberteit en de lichamelijke veranderingen die dit met zich meebrengt.

Dit onderzoek heeft een aantal beperkingen: alleen jongeren uit de genderkliniek van Amsterdam zijn onderzocht, resultaten kunnen dus niet worden gegeneraliseerd naar de gehele groep van jongeren met transgendergevoelens; sommige gegevens zijn niet onderzocht, zoals de genderidentiteit van de jongere; ook kunnen recente veranderingen niet goed worden geduid, door limieten in de data.

Over enige tijd zou dit onderzoek weer moeten worden herhaald. Verder kan er natuurlijk alleen gespeculeerd worden over de betekenissen van de gegevens, er kunnen geen daadwerkelijke uitspraken worden gedaan.

 

 

 

 

 

 

 

READ MORE


‘Wondermooi, zoals U mij gemaakt hebt’ genomineerd voor beste theologische boek van 2019

Coverfoto

Het boek ‘Wondermooi, zoals U mij gemaakt hebt’ staat op de nominatielijst voor het beste theologische boek van dit 2019. Dit boek is een handreiking voor gelovige transgender personen en werkers in de kerk en gaat in op vragen rondom geloof van transgender personen, hun naasten, pastores, predikanten, kerkeraadsleden en andere mensen die een ambt vervullen in een geloofsgemeenschap.

De prijs wordt op 16 november tijdens de Nacht van de Theologie uitgereikt. Vijf titels zijn geselecteerd voor de shortlist.

Het volledige artikel van Trouw valt hier te lezen.

READ MORE